Zelfportret met theedoek

Deze week een werk van één van de allergrootsten in de moderne schilderkunst. Ik vond het zelden zo moeilijk om één werk van een schilder te selecteren.

Felix Nussbaum (1904-1944) studeerde aan kunstopleidingen in Hamburg en Berlijn. Vanaf 1929 had hij in Berlijn een eigen atelier waar hij woonde met zijn vriendin Felka Platek. Als veelbelovende jonge kunstenaar werd hem de Romeprijs toegekend, een studiebeurs waarmee hij vanaf oktober 1932 in Rome in en vanuit Villa Massimo kon werken. Maar het verblijf daar duurde slechts een half jaar. In mei ‘33 moest hij vertrekken, in Duitsland was ondertussen Hitler aan de macht gekomen. In februari 1935 arriveerde het paar op een toeristenvisum in Oostende. 

Nussbaum is nog geen veertig jaar oud geworden en was vluchteling gedurende de laatste negen jaren van zijn leven. De jaren 1935-1944 waren een constante strijd om verblijfstatus en veiligheid, tegen de groeiende dreiging van de onafwendbare vernietiging. Deze thema’s zijn pregnant aanwezig in zijn schilderijen. 

In het overgangsjaar 1936 verwerkte Nussbaum zijn angsten en interne strijd om het bestaan als vluchteling in een serie zelfportretten. Hij schilderde zichzelf achtereenvolgens in een poort; met een grimas op z’n gezicht; met masker, papieren hoedje en papieren hoorntje; met shawl; met hoofdverband; met een idiote lach op z’n gezicht; fluitend; en met appel in de hand. Als achtergrond koos hij steeds een ander landschap of stadsgezicht waarmee hij te maken had gehad. 

Dit is één van de laatste zelfportretten uit dat jaar: het zelfportret met theedoek. Aan de horizon de daken van Oostende. De kunstenaar schildert zichzelf nogal clownesk, maar toch vooral ook kwetsbaar. Over zijn naakte, weerloze rechterschouder en borst is een theedoek geslagen met blauwe strepen en blokken, op zijn hoofd een soort trechter en achter het linkeroor een donkerpaarse bloem. Voor de goede verstaander zijn de Joodse accenten onmiskenbaar. De blauwgestreepte theedoek verwijst naar de tallit, het gebedskleed met tsitsit dat bij het ochtendgebed wordt gedragen; het hoofddeksel naar de Judenhut die Joden in de middeleeuwen moesten dragen wanneer zij zich buiten het getto begaven. Daarnaast had voor Duitse vluchtelingen de theedoek een uitgesproken waarde. Ze nam weinig plaats in, kon gemakkelijk mee worden genomen, en gaf, over een koffer of bankje gespreid, een thuisgevoel.

John Löwenhardt
22 augustus 2025