Alledaags

U ziet een groot schilderij (2,20 meter bij 1,50) van een vrouw die zich aan haar trui ontworstelt. Het is uit het jaar 2000 en heet ‘Pulli’, trui dus. Wie schildert er nou zoiets? Deze schilder idealiseert niet en romantiseert niet. Op zijn doeken tonen lichamen de tand des tijds van levensechte (alledaagse!) mannen en vrouwen met hangende buiken, billen en borsten, kromme ruggen en lubberende witte onderbroeken. 

Men zegt dat de schilder zich toelegt op ‘alledaagse onderwerpen’, wat mij veel te neerbuigend klinkt. Alsof het schilderen van het Koninklijke Paleis of een keizerskroon per definitie iets verhevens is. Zijn onderwerpen worden door sommige collega’s en kunstverzamelaars gezien als niet de moeite waard om te schilderen, letterlijk: afbeelding onwaardig. Ik geef voorbeelden, in willekeurige volgorde. De binnenkanten van twee net afgerukte pleisters; een gebruikte theedoek aan een haak; beschimmelde etensresten; een aangebeten boterham met zachte kaas; straatafval; twee of drie uitgedrukte sigarettenpeuken; een cocktail met citroenschijfje in glas; lege, verkreukelde snoepwikkels; drie pruimen; een compositie van drankflessen; een tafelkleed met vlekken; een serie haarknotjes; twee stapels boeken waar post-its uitsteken; een pot ingemaakte augurken; bebloede tampons; vuile koffiekopjes op een tafelblad vol kringen en vlekken; een serie verdachte pakketjes; dikke vrouwenlippen, close-up; een cavia. ‘Dingen die je niet moet schilderen’, zo noemde Museum MORE zijn eerste grote solotentoonstelling in Nederland, eerder dit jaar.

‘Alledaagse onderwerpen’ die je niet moet schilderen? Het pruimenschilderij, maar ook de serie ‘Kaars met potten ingemaakt’ uit 2021-22 roept bij mij een sterke associatie op met de fijnschilders waar ik vorige week over schreef. Op één van deze schilderijen zie je een brandend kaarsstompje op zilveren voet met daarvoor twee schijfjes citroen en ernaast een metalen eiersnijder (alledaags!) met het zojuist in de lengte gesneden ei erop, en vier potten in glas ingemaakte waren met deksels in de kleuren goud, groen, blauw en rood. Een stilleven, nature morte. Het zou zó een fijnschilderij kunnen zijn. Maar anders dan bij de fijnschilders zijn de kwaststreken goed te onderscheiden, de doeken onbescheiden groot en de kleuren gewaagd. Deze schilder wil niet natuurgetrouw afbeelden, hij wil iets zéggen.

We hebben het over Cornelius Völker (1965) die in Düsseldorf woont en werkt, en hoogleraar is aan de Kunstakademie in Münster. Ik zie zijn ‘alledaagsheid’ als verfrissend brutaal en vooral als ode aan de schilderkunst, als onweerlegbaar bewijs dat de schilderkunst helemaal niet dood is. Want deze man kan adembenemend goed schilderen en zijn werk onderscheidt zich heel duidelijk van zijn illustere voorgangers en tijdgenoten. Dit is schilderen om het schilderen, dit is zuivere schilderkunst.

John Löwenhardt
25 oktober 2024