Opening door Cor Witbraad
Zoals er Zutphenezen en Zutphenaren zijn, zo zijn er ook Hagenezen en Hagenaren. Onze drie kunstenaars waren alle drie Hagenaar; ze werden in andere steden dan Den Haag geboren en dan kan je geen Hagenees zijn. Ze woonden op verschillende plaatsen, in Nederland én daarbuiten, maar Den Haag werd van alle drie de uiteindelijke woonplaats en dat bleef daar niet ongemerkt. Zoals het echte Haagse kunstenaars betaamt kon je ze tegenkomen in Pulchri Studio én in cafe De Posthoorn. Hun werken worden gerekend tot de Nieuwe Haagse School.
In cafe De Posthoorn ontstond trouwens de Posthoorngroep, een initiatief van Jaap Nanninga, met niet alleen beeldend kunstenaars als leden (waaronder onze drie Hagenaren), maar ook een aantal schrijvers, zoals J.C. Bloem, Clara Eggink, Martinus Nijhoff en A. Roland Holst.
Piet Ouborg, Willem Hussem en Wim Sinemus. Zoals veel van hun collega’s (denk aan Mondriaan en Picasso) begonnen ook zij met figuratief werk. Bomen, boerderijen, portretten, vazen. Ze roken aan verschillende kunststromingen van hun tijd (surrealisme, kubisme, expressionisme) en onder invloed van vakgenoten als Van Gogh, Miró en Picasso, kwamen zij uiteindelijk uit bij de abstractie, Hussem en Sinemus bij de geometrische abstractie met zijn cirkels, driehoeken, vierkanten en zo.
Dat was vooral in de na-oorlogse tijd. In de tijd waarin de strijd tussen figuratieve en abstracte kunst zich afspeelde. Ouborg ondervond die strijd wel heel persoonlijk, toen hij in 1950 de Jacob Maris prijs won. Dat was voor zijn werk ‘Vader en zoon’. De voorstanders van de abstractie waren juichend, de figuratieven lieten zich negatief uit, niet zo’n beetje negatief. ‘Vader en zoon’ typeerden zij als een kindertekening, als een ‘kinderkrabbel’ zelfs. Maar toch: uiteindelijk wordt ‘Vader en zoon’ gezien als (ik citeer hier Ed Wingen) ‘een vitale bijdrage aan de naoorlogse ontwikkeling van de schilderkunst’ en als (ik citeer nu Koen Hilberdink) ‘de doorbraak van de moderne kunst in Nederland’. Dit dus naast de bijdrage aan de moderne kunst die de Cobra-tentoonstelling in het Stedelijk in Amsterdam altijd wordt toegeschreven. Ik bedoel maar.
Een van de kunstenaars die zich achter Ouborg schaarden bij de rel over ‘Vader en zoon’ was Willem Hussem. Ook rond een van zijn werken heeft zich een rel voorgedaan. Dat werk, een plastiek, stond sedert 1967 bij het postkantoor in Raalte, maar toen dat postkantoor in 2016 gesloopt werd, moest ook het plastiek van Hussem er aan geloven. De sloper liet het verdwijnen in de shredder. Hem was niet verteld dat het kunst was. Tja.
Over Sinemus ken ik geen rel. Wel een bijzonder verhaal, namelijk dat hij in de laatste jaren van zijn leven iedere dag samen met zijn vrouw een wandeling door Den Haag maakte en dan ik de Molenstraat één vel papier kocht dat hij dezelfde dag beschilderde. Geen rel dus, maar ik wilde het toch noemen (misschien is dat wel rellerig).
In deze tentoonstelling, hier in Kunstkamer de Grutmolen, worden werken getoond van na 1945. Allemaal abstract. Bekijkt u naast de werken aan de wand en in de vitrine, vooral ook de subtiele tekeningen van Ouborg die u daar in mappen kunt vinden en de werken op papier van Sinemus met hun scherpe lijnen en zijdeachtige kleurenvelden in het rek daar.
Ik wens u veel plezier met deze drie Hagenaren. De tentoonstelling is geopend.
Cor Witbraad
Zutphen, 13 september 2026